|
genus: |
Zijdebijen |
Colletes cunicularius (f) © photo: Stéphane Moniotte ![]() Colletes cunicularius (nest) © photo: dr. S. Schroeder ![]() Colletes cunicularius (mating) © photo: Huib Koel |
| Omschrijving: Een zijdebij, die in afwijking van de meeste andere zijdebijen uitsluitend in het voorjaar vliegt. De Duitse naam is dan ook meer toepasselijk: Frühlings-Seidenbiene. Hebben de andere zijdebijen heldere dwarsbandjes bij de Grote zijdebij ontbreekt deze. Vergissing van het vrouwtje met een werkster van de honingbij is mogelijk (donkerbruin, wolligbehaarde borststuk). De zijkanten van het borststuk en de eindrandjes van de achterlijfsplaten (tergiet) zijn vaak lichter van kleur. Het mannetje is meer geelbruin/grauwgeel behaard waardoor verwarring met zandbijtjes (Andrena) ook mogelijk is. Ze zijn kleiner dan het vrouwtje. De soort vliegt op wilgen (Boswilg), in de duinen vaak te zien op de kruipwilg (Salix repens). De foerageerplekken liggen maximaal 350 meter van de nestplaats. Nestelt in weinig begroeide, zanderige grond; soms ook op spoorweg- emplacementen met vaak horizontaal gegraven gangen. Overwintering gebeurt zoals de meeste vroeg vliegende solitaire bijen als volledig ontwikkeld insect in de broedcel. Nestelt in de zandbodem, graaft een gang van wel een meter diep. |
|||


